Recensie: Tot waar we kijken kunnen – Inge van der Krabben

Recensie: Tot waar we kijken kunnen – Inge van der Krabben cover-tot-waar-we-kijken-kunnen-inge-van-der-krabben
Uitgeverij: Ambo | Anthos

Een bijzonder moment voor mij: tijdens een teamuitje van een nieuwe opdrachtgever, bleek ik ineens aan tafel te zitten met Inge van der Krabben. Een schrijfster waar ik al veel over had gehoord, maar van wie ik nog steeds het boek niet had gelezen. Toen ze hoorde dat ik een eigen boekenblog had, bood ze spontaan aan haar boek naar me toe te sturen, zodat ik het kon lezen en recenseren. En inderdaawp-1485716753665.jpgd, een paar dagen later ontving ik het boek, met een persoonlijke noot van Inge. Ik voelde wel een beetje druk: straks vind ik het niks, wat moet ik dan schrijven? Tja, daar had ik mezelf misschien wel in een lastig parket gebracht…

Samenvatting
Janne staat op de rand van een burn-out en realiseert zich dat het tijd wordt om te bedenken wat zij zelf graag wil, in plaats van steeds te proberen aan ieders verwachtingen te voldoen. Maar voordat ze haar eigen weg kan gaan, is het nodig dat ze zich losmaakt van haar moeder. Juist op dat moment blijkt dat haar moeder kanker heeft en zich niet wil laten behandelen. In de korte tijd die hen nog rest, zoeken beiden naar een nieuw evenwicht in hun relatie.

Tot waar we kijken kunnen is een subtiele en ontroerende roman over de vaak complexe en bijzondere relatie tussen moeder en dochter. Van der Krabben schrijft in een frisse, eigen stijl over het onvermogen elkaar werkelijk te kunnen zien. Over loslaten en loskomen, verbinden en afscheid nemen.

Die zachtheid bedaarde haar zenuwen, haar darmen, haar maag. Deed ze er eigenlijk wel goed aan? Wat ze van plan was? Wat had Lottes zoon ook alweer gezegd? Don’t ask for permission, ask for forgiveness. Een mooi motto. Bepaalde dingen waren nou eenmaal nodig. (p.180/181)

Over de auteur
Inge van der Krabben (1972) studeerde algemene letteren aan de Universiteit van Utrecht, werkte als redacteur en communicatieadviseur voor diverse bedrijven en heeft haar eigen tekstbureau. Tot waar we kijken kunnen is haar debuutroman.

Mijn mening
Nou, ik had me vooraf dus zorgen gemaakt om niks: wat een debuut! Inge heeft me in mijn hart geraakt en tot tranen toe geroerd. Ze heeft een heerlijke schrijfstijl, waardoor het verhaal vlot leest. De korte overzichtelijke hoofdstukken dragen hier ook aan bij.

De thema’s loslaten en loskomen, verbinden en afscheid nemen zijn heel goed uitgewerkt. Zo mooi verwoord. Het is nergens te zwaar, maar ook niet te luchtig, het is precies goed gedoseerd. Met een lach en een traan heb ik dit boek in no-time uitgelezen.

En toen bleef ik met een heel apart gevoel achter… Verdriet om iets wat mij niet was overkomen, maar wat iedereen zou kunnen overkomen. Een soort gemis, maar ook herkenning en dankbaarheid. Ik was enigszins verward en moest echt weer even tot mezelf komen. Ik was compleet in het verhaal meegezogen en was helemaal in Janne opgegaan.

Ik kan dan ook heel kort en krachtig zijn: als je mij zo kunt raken (geloof me, dat lukt echt niet elke auteur!), dan heb je de volle 5 sterren meer dan verdiend. Ik kan alleen maar zeggen: Inge, ga vooral door met schrijven! Ik kan niet wachten tot je volgende boek. Ik leg de zakdoeken alvast klaar…

Ze hield haar ogen op de kist gericht […], en sprak met kracht in haar stem:

“Het allerliefst.
Liever dan een berg van goud heb ik de zoete smaak van honing op mijn tong. Zing ik een liedje over jong en oud dat jij vroeger voor mij zong. Voel ik mij als een koning zo rijk en heb ik gelijk als ik zeg dat ik op je lijk, wanneer de glimlach in je gezicht oplicht in de warme zomerzon. […]
Liever dan een berg van goud heb ik jou als herinnering in mijn hoofd. De smaak van chocola in mijn mond, die langzaam de paniek verdooft. En het is zo heerlijk, zo kostbaar de momenten die we samen delen. Dan voel ik mij als een koning zo rijk en heb je gelijk als je zegt dat ik op je lijk, wanneer mijn gezicht oplicht in de late zomerzon. Dat heb ik liever, dat heb ik het allerliefst. […]

We zien elkaar tot waar we kijken kunnen.”
(p.232)

Advertenties